Het lijkt niet te regenen. Toch hecht zich een waas van zichzelf overschattende mist aan mijn bril. Discoshow van straatverlichting en autolampen. Al mijn zintuigen vertellen me dat ik langs de Waal loop, behalve mijn neus. Daar doet de dikke geur van pasgezaagde naaldbomen een dansje. Resultaat: een niesbui van jewelste. Volgens de neus wandel ik in Oostenrijk de berg op, tussen stapels in rij en gelid liggende dennenbomen.

Ik voel de doffe dreun van de duizenden paardenkrachten van de stationair draaiende scheepsmotor diep in mijn buik. Het zijn niet de Halflinger paarden die elk jaar in de lente hogere en groenere weiden bovenop de Bodenberg opzoeken.

In de schemerige stuurhut verlichten de beeldschermen van de brug zacht het gezicht van hun kapitein. Hij staart in het niets over de vierdubbele open duwbakken die tot boven de rand gevuld zijn met vochtige houtsnippers.

Een tweede man. Als hij niet was opgestaan had ik hem niet gezien. Hij zat achter een dampende mok koffie in de getimmerde zithoek. We kijken elkaar recht in de ogen. Een beetje geschrokken en betrapt.

Als ik er de keuken voor had gehad, had ik ook zo’n zithoek gewild. Ondanks het lelijke en vreselijk onhandige. Altijd doorschuiven of over elkaar heen klimmen. Bedekt met folkloristisch beklede kussens. Als je eenmaal zit kom je niet meer weg en moet je je wel volvreten (Käsespätzli) en letterlijk klemzuipen (Glühwein) en lachen om elkaars mislukte grappen of meezingen met de sitar spelende jodelende waardin.

Nog een parallel universum dient zich aan. De brug van De Firmine, het binnenvaartschip van mijn vader’s oom. Ik herinner me het vernuft waarmee alles getimmerd was. Met opstaande randjes en verzonken houdertjes voor bekers en benodigdheden. Niets kon verschuiven of omvallen bij ruig weer. Al het hout was tot in de kleinste hoekjes dik gelakt, watervast. Maar nee, dit is niet mijn herinnering. Dit vertelde mijn neef me gisteren, toen we langs de Waal wandelden en naar binnen gluurden bij de stuurhut en roef van de binnenschepen. Ik herinner me de warmte, de gezelligheid, de geur van teer, natte hond en stoofvlees. En de klimpartijen in de Rotterdamse haven als De Firmine helemaal achteraan lag.

Hier sta ik. Ik voel hoe de hoge kraag van mijn driedubbeldikke winterjas tegen mijn strottenhoofd drukt. Levens, gebeurtenissen spelen zich gelijktijdig in mij af. Neef Hans, Oom Frans en Tante Lisa, de boeren Martha en Rudi. De Waal, de Maas, de Bodenberg. Teer, dennenbomen, paarden, honden. Tijd zou best wel eens een stapeltje ansichtkaarten kunnen zijn. Je reist lineair, maar daarna bepalen al die kaarten zelf wanneer ze zich weer aandienen.