Dampende blote mensen met blauwig witte velletjes en deinend overtollig welvaartsvlees trippelen door de koude novemberschemering. Klaterend water, schaterend gelach, kabbelende gesprekjes. De geur van dat de zon zojuist nog scheen. Brandschone badjas, pasgewassen ruw en stijf. Deur valt achter mij dicht met een zuigend geluid. Alsof iemand een zak over me heen trekt. In de stilte klinkt het werken van de berkenhouten ligbanken oorverdovend. In het duister zie ik wat contouren van de enige andere aanwezige. Tenen. Een piemel. De geur van gloeiend heet berkenhout lijkt mijn neusgaten open te wrikken. Vijfentachtig graden stilte om me heen.