1997. Vondelpark, schuin achter het openluchttheater. Een zwoele zomeravond, dobberend op de warme roes van een paar pilsjes en een joint. De wind blaast vlagen van het akoestische optreden over de vijver onze kant op. Mijn maatje en ik. Hij schizofreen, ik voorzover bekend niet. Soms is hij hij, soms is hij even weg. Verdwijnt hij in het landschap van zijn wanen. Een wereld waar ik niet kan komen, die ik niet kan waarnemen. Hij is niet 24/7 gek, psychotisch, of verward zoals we dat tegenwoordig noemen. Hij is er wel 24/7 van doordrongen. Als hij hij is, is de waan nooit ver weg. Is hij in zijn eigen wereld, dan weet hij dat hij ons daar niet kan ontmoeten. Dat zijn waarneming, zijn werkelijkheid, niet de onze is. Wij kunnen die stemmen niet horen en niet nuanceren. We zien die monsters niet en kunnen hem niet geruststellen. Hem niet troosten in zijn eenzaamheid.

Op een flard muziek zie ik ineens een lichtflits in een boom. Vuurwerk? Een lampion? Nog een flits, en nog een. Vuurvliegjes? Heb je die hier? De hele boom begint te knipperen. Zonder regelmaat of patroon. Ik kijk naar mijn maatje maar die staart onverstoorbaar voor zich uit. Misschien ben ik wel aan het trippen… Alcohol en wiet is ook geen goeie combi. Of ben ik gek aan het worden? Is dit nou hoe het voelt als je iets ziet wat anderen niet zien? Ik durf het niet hardop te zeggen. Bang dat ik bevestigd krijg dat ik het me verbeeld.

“En nou ben ik het zat!” Hij staat op en beent met grote stappen om de vijver heen. Ik volg bezorgd, straks flipt ie de pan uit! Maar nee, hij loopt rechtstreeks naar de knipperboom en begint tussen de bladeren te zoeken.

“Aha!!” Triomfantelijk houdt hij een tak voor mijn neus. Eraan hangt een plastic zakje met daarin drie batterijtjes, wat elektriciteitsdraad en een knipperend lampje. Nu zie ik het. De hele boom hangt ermee vol.

“Ik dacht even dat ik gek werd” zegt ie.

“Nou, anders ik wel”.