Oma. Grote sterke handen die naar ui en knoflook ruiken. Brede rug, nette jurk en een schort. Haar podium de grote ovalen eettafel, gedekt met Wedgwood op een kleed van damast. Daaronder tegen het krassen een dikke molton.

Het geluid in haar theater is gedempt. Meubels van velours, dikke gordijnen en vaste vloerbedekking. Geen echo’s. Ook niet van de kanarie, Pietje, die in de studeerkamer staat en graag mee wil praten. Vertellen over zijn weidse uitzicht vanaf de zesde verdieping.

Oma’s backstage. Verboden voor onbevoegden. Formica keukentafel, granito aanrecht en een keur aan keukengerei. Geur van tijm, kruidnagel, foelie, laurier. De grote handen tillen me op en zetten me op het aanrecht. Het opstaande randje voelt kil aan mijn blote knieholtes. Oma heeft bouillon getrokken en van de merg maakt ze balletjes voor in de soep. Ik mag er stiekem vast een snoepen.

Met een vlijmscherp mesje snij ik de tomaten kruislings in. Het voelt stout, zo’n scherp mes. Oma laat ze in de pan met kokend water glijden. Ik zie het glinsterende rode vruchtvlees te voorschijn komen. Het velletje wijkt uiteen en ontbloot het begin van een frisse tomatensoep. Of een pastasaus. Of een tomatensalade. Dat is oma’s manier: gaandeweg ontdekken wat het wil worden. De tomaten moeten schrikken, in ijswater. Empathisch kippenvel op mijn armen. We ontvellen en ontpitten. Ik zie haar denken. Na een paar keer diep en hoorbaar ademhalen zegt ze: “Ze zijn nog een beetje stevig deze. Ik denk dat ze liever salade willen worden dan soep. Wat denk jij?”

“Met een uitje en bieslook?”

“Hm, ja ik denk dat we ze dan wel heel erg verwennen maar als jij dat wil, dan doen we ui én bieslook.”

Deze keuze zet een kettingreactie in gang want wat doen we dan als soep? De komkommer kan weer in de koelkast, die is morgen ook nog lekker. Voor ik het weet zit ik champignons schoon te maken. Voetje bijsnijden, aarde eraf vegen en in plakjes snijden. Trots als een aap dat ik dit allemaal mag doen. Met boter, knoflook, peper, dragon en room wordt dit de lekkerste champignonsoep van de hele wereld.

Voorzichtig met de room, dat het niet gaat schiften. Lang wist ik niet wat dat was, behalve heel erg. Ik had oma een keer gezien met een kom saus. “Hij is geschift!” Oh wat was ze boos. Hollandaisesaus denk ik dat het was.

Oma verjaagt me uit haar domein. Ik ga bij opa zitten op het dikke Perzische tapijt dat op de vaste vloerbedekking ligt. Zijn dunne beentjes steken uit een broek van brede ribfluweel met een omslag. Voorzichtig aai ik over de zachte stof. Langs het boek dat op zijn schoot ligt kijk ik omhoog, door de verlichte loep waarmee opa nog een beetje lezen kan. Vanaf hier is opa een heel groot oog. De rug van het boek is van katoen, de kaft gemarmerd. De pagina’s dik en zwart en ertussen vloeipapier met spinnenwebben in reliëf. Waarom toch spinnenwebben?

Op de vergeelde foto’s stijve mensen in donkere jurken, broeken, jassen. Witte schorten en kapjes voor de meisjes. Serieus kijken ze me aan. Soms wippen ze los. Een glazen flesje met een schuine rode rubberdop staat in de aanslag op het tafeltje (met kleedje) naast opa. Hij plakt de eigenwijze foto’s meteen weer op hun plek. Dat zal ze leren.

Om ons heen luid geklets met een zachte g over ooms, tantes, neven, nichten. Relaties, kinderen, faillissementen, ongelukken, ziekte, dood. Opa en ik zitten onder een stolp. Hij omdat hij zijn gehoorapparaat heeft uitgezet, ik omdat ik me goed kan afsluiten. Hij verzonken in flashbacks, ik in het grote niets. Zijn handen trillen een beetje. Nauwelijks zichtbaar maar het vloeipapier gaat er van fladderen.

“Zullen we met het treintje?” Mijn broertje tilt mijn stolp op.

“Ja, gaan jullie maar fijn even in de gang spelen”. Mama heeft geen stolp. Ik zie dat zich boven haar lip, aan de rechterkant, het rode stipje aftekent dat ze altijd krijgt als we bij opa en oma op bezoek zijn. Ze zegt dat dat komt omdat het er zo warm is altijd. Droge warmte. Ik heb het ook warm maar ik heb geen stipje. En papa ook niet en mijn broertje ook niet. Niemand heeft een stipje.