Hij tuurde ingespannen door dikke gordijnen van angst en waan. Zijn ogen probeerden mijn blik te vangen maar verloren focus, afgeleid door waarnemingen uit zijn binnenwereld. Ik weet niet welke demonen en stemmen hij opzij schoof om mij de hand te kunnen reiken maar het waren er veel en ze waren écht. Zíjn werkelijkheid.

Op een meer in Frankrijk klom ik ooit in een van zijn zeilbootjes. Hij zei ‘ga maar, laat de wind je leiden, ik kom je zo halen’. Ik stoof het meer over. Na verloop van tijd sleepte hij me in zijn motorbootje weer aan wal. Waar ik ook was gestrand, hij vond me altijd terug. Met die zekerheid durfde ik het aan om me in zo’n pijlsnel scheepje aan de wind over te geven, mezelf te verliezen.

Als het goed met hem ging hoorde ik weinig van hem. Dan werkte hij, maakte plezier met zijn vrienden. En dan ineens stuurde hij me een kaartje of een brief. En dan nog een en nog een en nog een. Gaandeweg werd zijn handschrift beeldender. Letters werden groter, puntjes werden sterretjes of rondjes of driehoekjes. Woorden dansten over het papier. Zijn zinnen tekenden zijn gemoedstoestand uit.

Zijn magische wereld had iets moois, iets aantrekkelijks. Hij vertelde over beschermers, gidsen, lichtjes en kleuren en over warmte en troost. Ik vond het jammer dat ik niet in zijn hoofd kon kijken, hij leek er zo gelukkig.

Er zat steeds minder tijd tussen zijn brieven. Zijn letters steeds duisterder op het papier, zijn woorden angstiger. Ze werden hoekig, onregelmatig, schreeuwerig. Ik zag hem voor me, gebogen rug, nerveus bewegende handen, snel wisselende gezichtsuitdrukkingen. Ik stapte in mijn bootje, zocht hem op, losgeslagen op zijn diepe, gitzwarte Styx.

Ik zag hem verzuipen. De wanhoop in zijn ogen. Uitgestoken armen. Ik had hem allang vast. Probeerde hem naar de kant te slepen. Mijn hart als anker. Hij voelde het niet. Een omhelzing met een levende dode. We lieten los.

Lees Interacties

Reacties