We zijn op tijd. Hoewel mijn ouders in mijn beleving al bijna dertig jaar vijftig zijn haasten ze gestaag trager. Maar we zijn er, de jassen hangen, we zoeken een plaatsje waar we het podium goed kunnen zien. Bovenin, achteraan, over vele brede schouders heen en tussen ellebogen door kunnen we het zien.
De bar is dicht. Op verzoek van Wende. Papa gaat op jacht naar een drankje. Komt terug: hij heeft ontdekt dat je het beneden achterin veel beter ziet. Minder schouders en ellebogen. We gidsen elkaar de donkere trap af. Achterin is nog een dichte bar. Mijn vader tilt als een fitte vijftigplusser zijn vrouw op de toog. Koninklijk zit ze daar, kan alles zien en hoeft niet te staan.
Licht uit. Je kan een speld horen vallen. Een koelkast slaat aan. Een kleine schim neemt in het donker plaats achter de microfoon. Daar gaan we! Met alles wat ze heeft grijpt ze me bij de kladden. Reusachtige projecties, donderend geraas van techno beats, poetisch filosofische teksten en zij zelf. Alsof ik haar verzonnen heb. Hoe ze staat, hoe ze beweegt, hoe ze kijkt. Dan zoekt ze de stilte op en snap ik pas goed waarom de bars dicht zijn. Alsof ze naast me in mijn oor fluisterzingt, alleen voor mij. “Vrij me voorbij de angst…vrij me naar de dans, wees het lied dat mij omarmt….”
Met een snik realiseer ik me dat ik vergeet te ademen. En met mij nog zo’n elfhonderd anderen. Anderhalf uur lang is zij het lied dat ons omarmt. Voor niets of niemand bang zingt en danst ze voor elk van ons alleen.
We schuifelen naar huis. De stilte af en toe onderbrekend met een lyrische verzuchting hoe gaaf het was.
“En ze zong Au Suivant, zo mooi, zo eigen!”
“Wat een power voor zo’n klein meisje, en had je die gespierde armen gezien?”

Ineens sta ik stil en hou mijn adem in, mama spiegelt mij in een reflex. Doodstil luisteren we naar gemurmel in de boom naast ons. Papa moet dit ook horen. Ik roep hem… hij reageert niet “Papa! Kom! Luister! De boom zingt”. De boom ontploft in een zwerm geschrokken spreeuwen. Een zwerm Wendes.